In mijn stad leeft een overtuiging die hardnekkiger is dan regen in november:
verkeersregels zijn een suggestie.
En haaientanden? Dat is straatkunst.
Of symboliek. Zoiets waar je over kijkt.
Vooral wanneer je op twee wielen zit…
Fietsers bewegen zich met een vanzelfsprekendheid die grenst aan soevereiniteit.
Voetgangers zijn daarbij decor en auto’s storende elementen die geacht worden te anticiperen, te wijken, te remmen — liefst abrupt — want kwetsbaarheid geeft blijkbaar vetorechten.
En ja, meestal gaat dat goed.
Soms net niet.
Wat me dan nog het meest opvalt, is niet het negeren-van-de-regels maar het ontbreken van elk spoor van wederkerigheid. Er komt zelden een glimlach als je vol in ‘de freins gaat’ of uit eigen veiligheid met een hazesprong terugdeinst richting etalage.
Geen handje omhoog. Geen knikje dat zegt: sorry of dank je, we leven nog.
Integendeel.
Boze blikken en zichtbare verontwaardiging omdat een unieke vrijheid wordt afgepakt doordat je niet tijdig oploste in het niets. En het fascinerendse is de overtuiging die daarbij hoort.
Die onwankelbare zekerheid dat men moreel gelijk heeft omdat men “goed bezig is”.
De idee dat duurzaamheid, regen en tegenwind automatisch vrijstelling geeft van hoffelijkheid.
Dat ‘samen onderweg’ geen ‘samen zijn’ meer is, maar een strijdtoneel.
Alleen lijkt het soms, dat door de mantel der liefde die de heersende fietser bedekt, het zachte verdampt. Het wordt ieder voor zich, met een fluohesje als schild en een moreel vingertje in de aanslag.
Maar misschien zit het probleem niet in fietsen.
Of in auto’s.
Of in voetgangers.
Misschien zit het in de idee dat de ander zich wel aan ons zal aanpassen.
Dat vertragen tijdverlies is. Dat ‘rekening houden met’ zwakte verraadt.
Terwijl beschaving misschien net daar begint:
aan haaientanden en aan zebrapaden…
In het simpele besef dat niemand alleen onderweg is.
Haaientanden zijn dan toch geen mening.
Ze zijn een uitnodiging.
Tot even stoppen.
En misschien — heel misschien — tot weer mens onder de mensen te worden.
No Comments